Als reactie op de Winkelnota, waarmee de Vlaamse regering het retailbeleid in handelskernen en de periferie wil stroomlijnen, pleit Voka ervoor dat handelaars zelf moeten kunnen bepalen waar ze zich vestigen. De kritiek is vooral gericht op het voornemen van de overheid om de grootschalige winkels aan de stadsrand, de zogenaamde baanwinkels, aan striktere regels te onderwerpen.

Werkgeversorganisatie Voka onderschrijft de principes van de nota wel, maar heeft dus toch enkele fundamentele bedenkingen. “Voor ons moet de handel in de kern complementair zijn met de periferie,” zegt gedelegeerd bestuurder van Voka-Kamer van Koophandel Limburg, Johann Leten. “We pleiten eerder voor een positief beleid dat de parkeerproblematiek en attractiviteit van de kernen aanpakt, dan voor een beperkend beleid naar de baanwinkels. We vinden ook dat de handelaar zelf de keuze van locatie en aanbod moet kunnen maken. Een bepaald assortiment is eerder gericht op ‘funshopppers’, die rustig de tijd nemen om te flaneren door de winkelstraten, terwijl een ander gamma op een andere plaats, eerder mikt op de ‘runshoppers’, die snel voor de deur willen parkeren. Een handelaar kan hier beter over oordelen dan een politicus of ambtenaar.”

Voka vreest ook bijkomende administratieve lasten. “Bijkomende regels betekenen bijkomend papierwerk en controles,” zegt Leten nog. “Een negatieve evolutie”.

Ook Unizo-Limburg heeft al gereageerd. “Er is een publiek voor zowel de stadskern als voor de stadsrand,” vindt regiodirecteur Joël Stockmans. “Beide opties moeten dus mogelijk zijn. Maar toch pleiten wij ervoor om eerst de handelskernen te versterken en van daaruit de noden naar de perifie in te vullen. In de binnenstad spelen immers nog veel meer belangen dan alleen de handel. Een centrum zonder leegstand is veel aantrekkelijker voor de horeca, voor de evenementen, enzovoort. Een kernversterkend beleid maakt de hele stad veel gezelliger. Als er een goede mobiliteit is met voldoende parking, heeft een centrum een grote aantrekkingskracht voor een breed publiek. Eens daar alle opportuniteiten benut zijn, kan er nadien nog worden bekeken welk complementair aanbod aan de stadsrand kan ingevuld worden,” besluit Stockmans.