De bouwsector heeft het niet gemakkelijk. Maar toch raken de vacatures nauwelijks ingevuld. Vooral in Limburg is de stijging van de openstaande jobs opmerkelijk. Het aantal steeg van gemiddeld 190 per maand in 2010 naar 339 vorig jaar, wat neerkomt op een toename van maar liefst 78%. Dat blijkt uit cijfers van de Confederatie Bouw Limburg, op basis van gegevens van de VDAB. De trend geldt niet enkel voor Limburg. De VDAB telt voor Vlaanderen een stijging van gemiddeld 44%.

Dat de spanning tussen vraag en aanbod alsmaar groter wordt, blijkt ook de zogenaamde spanningsgraad. In 2010 waren er in Limburg gemiddeld 8,8 kandidaten per vacature in de bouw. In 2011 is dat teruggevallen tot 6,3 kandidaten. Het beeld is wel verschillend naargelang de beroepscategorie. De zogenaamde knelpuntberoepen in de bouw blijven de glazenmakers, dakdekkers, betonwerkers, elektriciens en loodgieters.

Wie heeft er een schilder?
Van de andere kant is er geen gebrek aan kandidaten voor vacatures voor schilders, behangers en lassers. Dat er voldoende schilders zijn lijkt nogal vreemd, aangezien volgens Bouwunie dit ras met uitsterven bedreigd is. De grotere bouwbedrijven van de Confederatie hebben er blijkbaar minder last van. “Onze leden vinden inderdaad voldoende kandidaten of werkzoekenden voor deze beroepen, maar het mangelt daar steevast aan ervaring”, zegt directeur Rik Mondelaers van de Confederatie Bouw Limburg. “De verwachtingen van de aannemers liggen redelijk hoog. Zij zien hun ervaren werkkrachten vanaf 56 of 58 jaar met pensioen vertrekken, en ze verwachten bijna even ervaren medewerkers in de plaats te kunnen aanwerven.”

Om deze scheve toestand recht te trekken, stelt Mondelaers enkele maatregelen voor: “In de eerste plaats moet de pensioenleeftijd een paar jaar opgetrokken worden, zodat de aannemers hun ervaren werkkrachten langer aan zich kunnen binden. Daarnaast zijn een verbeterde opleiding en scholing, met aandacht voor ervaring en de vorming van een correcte attitude, onontbeerlijk. Want het is de instroom die achterblijft. Ook een verbetering van het imago is zeer belangrijk. Het zijn immers vaak de ouders die beslissen over het toekomstig beroep van de kinderen. De bouw is lang niet meer dat zware beroep van vroeger. Het grote voordeel: de bouw blijft per definitie lokaal, en delokaliseert niet.”