In crisistijd zijn concurrerende bedrijven niet te beroerd om op onrechtmatige wijze competent personeel of klanten van elkaar af te snoepen. Afwerving, in juridisch jargon. Uit een enquête van Voka – Kamer van Koophandel Limburg en Van Gompel – Renette Advocaten blijkt dat bedrijven zich hier lang niet altijd op voorhand juridisch tegen indekken, en huiverachtig staan tegen het inspannen van gerechtelijke procedures achteraf. Nochtans verliezen 7 op de 10 bedrijven personeel aan een concurrerend bedrijf.

Hoe vertrouwd de term ‘aanwerving’ ook moge klinken in de economische wereld, het tegenovergestelde ‘afwerving’ is een woord dat minder ingeburgerd is. De meest voorkomende vorm van afwerving van personeel is de rechtstreekse afwerving door een concurrent (wegplukken van personeel). Met 68,8% is dit de populairste vorm. In 50% van de gevallen neemt afwerving de vorm aan van een vroegere leidinggevende of medewerker, die na zijn/haar overstap naar een ander bedrijf enkele personeelsleden in zijn kielzog meeneemt.

Vooral kaderleden (in bijna 50% van de gevallen) en commerciële profielen (43,8%) lopen het risico afgeworven te worden. Arbeiders scoren iets lager (31,3%), lagere bedienden worden slechts in 1 van de 10 gevallen weggeplukt. Respondenten verwijzen expliciet naar technische profielen en ingenieurs, die blijkbaar erg in zwang zijn.

Johann Leten (gedelegeerd bestuurder Voka – Kamer van Koophandel Limburg): “Opvallend is dat heel wat bedrijfsleiders spontaan aangeven hun personeel niet te willen tegen houden, als ze zich elders denken te kunnen verbeteren. Omgekeerd biedt 1 op de 5 bedrijven werknemers van een concurrent bijzondere arbeids- en loonsvoorwaarden aan, indien ze bij hen in dienst treden.”

Naast de afwerving van personeel, kan er ook sprake zijn van de afwerving van cliënteel, bijvoorbeeld door valse berichten over een concurrent te verspreiden inzake solvabiliteit, stopzetting, faillissement… Daarnaast is er in 39,2% van de gevallen sprake van het onrechtmatig verkrijgen van klantenlijsten door een concurrent. Concurrerende ondernemingen maken zich in bijna 1 op 5 van de gevallen ook schuldig aan laster en eerroof.

Werkgevers kunnen zich indekken tegen afwerving, maar doen dat lang niet altijd. Een niet-concurrentiebeding staat slechts in 56% van de contracten. Om afwerving van cliënteel te voorkomen, laat ongeveer 60% van de respondenten een exclusiviteitsclausule ten gunste van het eigen bedrijf opnemen in contracten, in 56,8% van de samenwerkingsovereenkomsten met commerciële partners is er een niet-afwervingsbeding ten voordele van het cliënteel opgenomen.

Juridisch initiatief
Niet alleen vooraf, maar ook na vaststelling van de feiten, kunnen er juridische stappen gezet worden. Werkgevers ondernemen echter zelden achteraf juridisch initiatief tegen afwerving (slechts 14,1% van de ondervraagden). Johann Leten: “Klaarblijkelijk ergeren werkgevers zich aan de snelheid (of het gebrek eraan) van het gerecht. In de ogen van heel wat bedrijfsleiders wegen de baten van een proces niet op tegen de kosten. Daarenboven wordt ook de moeilijke bewijslast vaak aangegeven als reden om een proces achterwege te laten.”