Bedrijfsvoertuigen worden overgeheveld naar privé

De Limburgse ondernemers hebben al flink gereageerd op de talrijke begrotingsmaatregelen die op de ondernemingen zijn afgekomen. Het meest opvallend wellicht zijn de ingrepen in het bedrijfswagenpark. “De 4×4’s zijn nu al uit de bedrijfsgarages aan het verdwijnen”, zeggen David Derhaeg (Deloitte) en Koen Hendrix (VKW Limburg). De verlaging van de werkgeverslasten blijft voor de ondernemers dé prioriteit.

Dat blijkt uit een onderzoek van VKW Limburg en Deloitte bij 200 Limburgse ondernemingen. Opvallend is dat al 51 procent van de ondervraagden maatregelen heeft genomen om de hogere factuur voor bedrijfswagens te compenseren:

– 38 procent van hen kiest voor wagens met een lagere CO2-uitstoot
– 93 procent vindt dat de werknemers daarvoor niet moeten gecompenseerd worden
– Voor hun eigen wagen heeft 16 procent van de ondernemers meteen actie ondernomen. De grote meerderheid van hen (80 procent) heeft ervoor gekozen om de wagen van hun (management-)vennootschap naar hun privé-eigendom over te brengen.

“Daardoor kunnen de ondernemers niet meer belast worden op het voordeel in natura, en rekenen ze persoonlijk een kilometervergoeding aan om de kosten van brandstof en onderhoud te compenseren”, legt Derhaeg uit. “Vraag is of de overheid op die manier wel aan de verwachte extra inkomsten zal geraken.”

Zoals bekend is de belasting op dividenden verhoogd van 15 naar 21 of 25%. Eén op drie ondernemers (31%) heeft daar al op geanticipeerd en heeft alternatieven gezocht. Een aantal ondernemers heeft eind 2011 het dividend eenmalig verhoogd, om zo de verhoogde belasting deels te vermijden. Maar dat betekent ook dat 69% de hogere belasting simpelweg ondergaat.

De regering kondigde zoals bekend ook een verstrakking aan van de fiscale en sociale controles. Uit de bevraging blijkt dat er wel erg grote verschillen bestaan:

– 11 procent heeft elk jaar een fiscale controle
– 23 procent om de twee jaar
– 21 procent om de drie jaar.

Bijna de helft (45 procent) van de ondernemingen krijgt dus in het beste geval om de vier jaar een fiscale controleur over de vloer.
Bij de sociale en arbeidsinspectie zijn de verschillen nog groter: slechts 44 procent heeft om de drie jaar of minder een controle. Bij sommigen (7 procent) kan er tien jaar tussen twee controles zitten.

Als ze zelf minister van Financiën mochten zijn, koos net geen 50 procent voor de verlaging van de werkgeverslasten als topprioriteit. Voor 33 procent mag de belastingdruk op de werknemerslonen aangepakt, en voor 18 procent de effectieve belastingdruk op bedrijfswinsten. “Maar het liefst zien ze die drie punten tegelijk aangepakt”, stelt Koen Hendrix.

De grote meerderheid (93 procent) is vóór een vereenvoudiging van de fiscaliteit (via de afschaffing van fiscale aftrekken) in ruil voor een evenredige verlaging van de vennootschapsbelasting.

Bijna iedereen (93 procent) is ook vóór de strijd tegen fiscale en andere fraude. “Ondernemers willen met gelijke wapens kunnen concurreren”, aldus nog Derhaeg en Hendrix.