In vergelijking met zeven jaar geleden staan heel wat meer Limburgse ondernemingen op het punt om hun activiteiten te delokaliseren. Die verontrustende vaststelling blijkt uit de antwoorden van ruim 300 Limburgse bedrijven op een bevraging van werkgeversorganisatie VKW Limburg. Meer dan de helft van de grootste Limburgse bedrijven uit de metaal-, transport- en automobielindustrie verwacht op korte of middellange termijn activiteiten te delokaliseren. En hierbij blijkt een steeds groter deel van de activiteiten weggehaald te worden uit België. En eens de stap naar het buitenland is gezet, investeert 30% niet meer in België. Opvallend is verder dat ook meer en meer onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten naar het buitenland verhuizen.

Op basis van deze verontrustende resultaten stuurt VKW Limburg een dringende ‘wake up call’ richting de politici aan de onderhandelingstafel van de regeringsvorming. “Het raken aan de notionele intrestaftrek – zoals nu voorligt op de tafel van de onderhandelaars – zal de belastingsdruk voor onze bedrijven nóg verder doen toenemen en nog méér bedrijven verplichten te delokaliseren,” aldus gedelegeerd bestuurder Jos Stalmans.

De steeds zwaardere loonkosten (80% haalt dit aan als hoofdreden) blijven echter de grote oorzaak van delokalisatie-intentie. De recente cijfers van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) geven aan dat de loonkostenhandicap met onze buurlanden, dit jaar oploopt tot 4,6%. “Het is duidelijk dat de huidige automatische aanpassing van de lonen gekoppeld aan de index hiervan de hoofdoorzaak is,” zegt Stalmans. “Hier dringend ingrijpen is dan ook noodzakelijk.”

Naast deze loonkostenhandicap wordt de vaak al te sterke sociale uitbouw (cfr. uitdijende verlofregelingen, tijdskrediet,…) aangehaald (46%). De hoge belastingsdruk (24%), het te weinig beschikbaar zijn van geschikt personeel (32%) en de toegang tot de lokale markt (26%) zijn overige redenen voor delokalisatie.

In twee derde van de gevallen wordt voor delokalisatie het vizier nog steeds gericht op landen in Oost-Europa (68%). Op de tweede plaats komt Azië (27%), dat relatief gezien minder populair wordt dan 7 jaar geleden. Andere West-Europese landen vormen met 23% de derde belangrijkste aantrekkingspool.